In een leunstoel achteroverhangend,
de tafel kan ik met mijn voeten juist bereiken,
kan ik soms urenlang 't plafond bekijken,
als was daar iets heel wonderlijks te zien.
Alleen mijn schaduw, via lamp en muur,
staat er grotesk op uitgetekend,
ik heb al honderd keren uitgerekend
dat het plafond moet slijten op den duur.
Dan zal ik dus, als nu beneden,
voor latere mensen, die als ik zo hangen
in deze kamer op 't plafond gaan leven,
er blijft dan nog maar één verlangen:
dat schaduw van mijn schaduw
tot de vloer zal reiken,
zodat ik weer opnieuw naar het plafond
mag kijken.
H.F. Reefman, 1951.
Als ik later nog eens geboren word,
dan wil ik gaviaal zijn in de Ganges.
Als heilig dier kan ik daar rustig leven,
hoef nooit een kogel of een speer te vrezen.
Uit Hindoes, die om heiligheid te werven
met blote voeten in mijn water moeten baden,
zoek ik de dikste uit, als avondmaal,
dat gaat zeer goed, ik ben een slimme gaviaal.
De oude priesters uit de Vishnoetempel
voeren mij brood en vis als ik dat vraag.
Zij lopen ook met blote voeten in mijn water
maar zijn te oud en voedselbron voor later.
Zo word ik dan een oude gaviaal,
een rustig beest met zenuwen van staal.
Ik slijt mijn laatste dagen rustig in de Ganges.
Een oud goedmoedig dier dat nimmer bang is.
H.F. Reefman, 1952.naar boven
Fluisterend draaien jongens om haar heen,
haar hart is of van ijzer of van steen.
en met haar borsten tracht zij alles uit te dagen.
Maar iedereen die kijkt is al direct verslagen.
H.F. Reefman, 1948.naar boven
Zag ik haar vanavond op de hoek?
De regen ploegde zwarte sporen langs haar gezicht.
Opnieuw was de straat verdeeld
in allerlei compartimenten
van licht en donker,
zij overschreed juist een grens,
ik hoorde nog
het snelle tikken van haar hakken.
Toen kwam zij, schim gelijk, weer in het licht,
ik zag haar koele witte handen
en voelde weer de wonden van haar tanden,
ik weet dat het haar toch niets doet,
hief aarzelend mijn hand, als groet.
Er was herkenning in haar ogen.
H.F. Reefman, 1953.naar boven
Toen ik haar de laatste keer gekust heb,
wist ik toen al dat het de laatste keer zou zijn?
Een aarzelend gedicht en maar een kort refrein
van een heel liefdesopus dat ooit is geweest.
Nu is zij koel en groet mij soms bedeesd.
H.F. Reefman, 1954.naar boven
Zijn naam was Bonkers, 't was een hond,
centraal in zijn hondenleven stond
een trouwe geest, een goed gemoed, een oud verbond.
God, zegen Bonkers, onze hond.
H.F. Reefman, 2004.naar boven {met dank aan jan hanlo}
In het vale licht, aan de bosrand, de jager.
Zijn stap, de adem van de hond, gaan trager.
Alweer een jaar en ook de zon alweer wat lager.
De schaduw van de snoek wordt langzaam vager.
H.F. Reefman, 1986.naar boven
Door een mist van dennen schijnt de zon,
en op de takken valt een gouden glinstering.
Een lijster die zojuist zijn lied begon
zwijgt in bewondering.
Diamanten web dat in de struiken hing,
schittert nu als de mooiste edelsteen.
En vanaf de lome groene dalen,
tot op de heuvel hier,
staat het woud in een sluier van zonnestralen.
Beneden loopt de bergwand uit in de rivier.
H.F. Reefman, 1949.naar boven
De schaduwen weer langer iedere nacht.
En zelfs de liefde wordt het droef bewegen
van sleperspaarden in een najaarsregen.
Er is geen reden en toch lach je zacht.
H.F. Reefman, 1955.naar boven
In de blauwe sluierzaal,
hangen wel duizend sigarettenluchten.
Wij pogen met gewauwel en kabaal,
uit dit bestaan te vluchten.
Schor klinkt een slecht geblazen saxofoon
en jammert een trompet.
Wij stappen voor- en achteruit, zeer monotoon,
causeren, maken grapjes, leuk en net.
Dan is 't voorbij, je grijpt een sigaret
en kletst wat met je vrienden in een hoek.
Hoe breng je die minuten anders zoek?
Na elke voorgeprogrammeerde wandeling
zeg je heel netjes: dank U wel!
Je rookt eens wat, je drinkt eens wat.
Maar eenmaal gaat de bel.
Nou dan weet je het wel!
H.F. Reefman, 1948naar boven {~16 jaar oud}
Hij heeft slechts slordig het leven gezien
en 't zijne is bepaald. Loert niet
op elke hoek het dreigende gevaar!
Hij lacht erom: 'k word toch geen honderd jaar.
Hij wil de revolutie en de macht
en 't avontuur. Voor dat doel maakt hij bommen
en schiet op hoge personages van de staat.
En weet, ik word gegrepen vroeg of laat.
Hij werd gegrepen en hij wachtte
zonder ook maar een seconde te hopen
zijn vonnis af.
Het was de allerzwaarste straf!
De priester keek verbaasd dat hij nog lachte
die laatste tel, tussen de muur en de lopen.
H.F. Reefman, 1948.naar boven
Eentonig brommen motoren tussen de sterren.
Flauw flikkert het schijnsel van de flak
en ontploffende granaten vormen
witte wolken aan het hemeldak.
Hij vraagt zich af hoe het zal wezen
als ik uiteindelijk getroffen word.
Verbijstering en angst wanneer mijn toestel
zich brandend in de ruimte stort?
Mijn handen, klam of koud en mijn gedachten
die laatste ogenblikken van de val
als ik mijn ogen openen zal
d'allerlaatste maal
naar mijn nu zinneloze instrumenten staar?
Verplettert d'aarde mij?
Of ik haar?
H.F. Reefman, 1948.naar boven
De wereld is hier koud en wit.
En zoveel kleren aan
dat ik niet meer weet
waar mijn pik zit.
Maar wel lekker warme ballen.
God zorgt voor ons allen.
H.F. Reefman, 1998.naar boven
H.F. Reefman, 1948.naar boven
Ik koop voor een gulden gele narcissen
en op de hoek een fles wijn.
Etiket in vier kleuren maar 't smaakt naar azijn.
Want ik ben verloren, ik heb me verloofd!
Ik loop door de straat als verdoofd.
Maar 't is weer in orde, de maat was nu vol.
Ze rook op twee meter de alcohol.
De lering, mijn vrienden: blijf van vrouwen verschoond!
En koop eens wat wijn, heus dat loont!
H.F. Reefman, 1954.naar boven
Ik dacht ook al, hoe goed dit leven,
ik had in maanden geen gedicht geschreven,
Had nog maar één fles en daar zat gin in,
wat ik niet lust, ik dronk hem toch maar leeg.
En toen kwam jij, je keek eens rond en zweeg.
Je had een plan, dat was verleiden!
Ik deed eerst grof maar jij deed innig,
nu is 't telaat, 'k tel als krankzinnig
maar steeds de dagen die ons scheiden.
H.F. Reefman, 1954.naar boven