gedicht van de maand

mei 2007

HET VERLOREN KIND

Langzame kinderjaren waaruit
als uit een grote weide
de harde stamper groeit.
het hout van de man.

Wie ben ik geweest? Wat ben ik geweest?
Wat zijn wij geweest?

Geen antwoord. We zijn voorbijgegaan.
We zijn niet geweest. We waren. Andere voeten,
andere handen, andere ogen.
Alles veranderde blad na blad
aan de boom. Maar in jou? Je huid veranderde,
je haar, je geheugen. Die ben je niet geweest.
Die is een kind geweest dat voorbij liep
achter een stroom aan, achter een fiets,
met de beweging
is je leven verdwenen in die ene minuut.
De valse identiteit volgde je stappen.
Dag na dag legden de uren aan,
maar jij was het niet meer, de ander kwam,
de andere jij, en nog een ander totdat je geweest was,
totdat je je los had gerukt
van de eigen voorbijganger,
van de trein, van de wagons van het leven,
van de plaatsvervanging, van de forens.

Het masker van het kind werd anders,
uiterlijk ziekelijk en mager
groeide rustig zijn kracht,
het skelet hield stand,
het gebouw van het gebeente weerstond,
de glimlach,
de houding, een luchtig gebaar, de echo
van dat naakte kind
dat opsprong uit een bliksem,
toch was dit opgroeien als een pak!
De man was een ander en hij had het gehuurd.

Vanuit het woud
kwam ik naar de stad, naar de gassen, de wrede gezichten
die mijn licht en gestalte maten,
ik kwam naar vrouwen die zichzelf in mij zochten
alsof ze door mijn schuld waren verdwaald,
en zo kwam tot stand
de onzuivere man
zoon van de zuivere zoon,
totdat er niets nog zoals vroeger was
en er plotseling op mijn gezicht
het gezicht van een vreemde verscheen
en weer was ik ditzelf:
ik was het die groeide,
jij was het die groeide,
ik was het helemaal,
en we veranderden
en we vergaten voorgoed wie we waren,
en soms herinneren we ons
hem die leefde in ons
en als we het hem vragen, zal hij zich ons wellicht
herinneren,
tenminste weten dat we hem waren, dat we spraken met zijn tong,
dan zal hij vanuit de verbruikte uren
ons aankijken maar ons niet herkennen.

Pablo Neruda (1904 - 1973)top